Genoelselderen

Een historisch-geografisch portret

Het roemrijke geslacht 'Van Elderen'
De aanwezigheid van een tumulus en de fragmentarische vondst van ‘villa’-restanten staven de hypothese dat Genoelselderen, gelegen ten noorden van de heerbaan Tongeren-Maastricht, in de Gallo-Romeinse tijd enige bewoningsactiviteit kende. Het vroegmiddeleeuws domein Aldor of Heldren – zo luid immers de oudste schrijfwijze (1157) – werd omstreeks 1200 in twee Loonse heerlijkheden gesplitst, nl. ’s Herenelderen (genoemd naar Heer Willem’; thans een deelgemeente van Tongeren) en Genoelselderen (Elderis Godenoli, 1265). Het prefix ‘Genoels’ is afgeleid van ‘Godenoel’, de voornaam van de eerste heren van Genoelselderen. Godenoel I (+1305), de vermoedelijke bouwheer van het kasteel, werd samen met zijn echtgenote Marula (+1300) in de kerk van Genoelselderen begraven. Tot in 1718, elf generaties lang, zwaaide het geslacht van Elderen onafgebroken de scepter in deze heerlijkheid. De meeste leden profileerden zich als bijzonder trouwe onderdanen van de Loonse graaf en na 1366 – bij het diplomatiek verdict van de Loonse successieoorlogen kwam het graafschap Loon toen onder het gezag van het prinsbisdom Luik – van de Luikse prins-bisschop. Niet zelden trokken de heren van Elderen ten strijde om de belangen van hun oversten te verdedigen. Ze werden hiervoor beloond met een waslijst van adellijke titels (o.a. seneschalk of landvoogd) en vooraanstaande functies (o.a. baljuw van het graafschap Loon en grootbaljuw van Bilzen). De meest bekende figuur van het geslacht van Elderen was ongetwijfeld Jan-Lodewijk die tussen 1688 en 1694 prins-bisschop van Luik was. Zijn praalgraf staat in de parochiekerk te kijk. Edmond Willem van Elderen, de oudere broer van de prins-bisschop, was de laatste rechtstreekse erfgenaam in mannelijke lijn. Met de dood van zijn dochter Maria Florentina, gehuwd met Gerard van Oyembrugge, viel in 1718 definitief het doek over vier en een halve eeuw ‘van Elderen-dynastie’. Bij testament ging de heerlijkheid in 1754 over naar de familie de Borchgrave die het ‘heerlijk’ kasteel omstreeks het midden van de vorige eeuw een neoclassicistisch uitzicht bezorgde. De schepenbank van Genoelselderen volgde de Loonse rechtspraak en ressorteerde rechtstreeks onder het ‘Oppergerecht van Vliermaal’, het hoogste rechtstribunaal in het land van Loon (cfr. Geogids Kortessem). Het feit dat de wereldlijke heren van Genoelselderen de sympathie van hun soevereine overheid genoten, blijkt ook uit hun kerkelijke machtsposities vermits ze tot aan het eind van het Ancien Régime zowel het tiend- als het patronaatsrecht van de Sint-Martinusparochie bezaten. De parochiale fusie van 1805, tussen Membruggen en Genoelselderen, werd in 1834 terug opgeheven.

Kasteel- en straatdorp in de bovenloop van de Demer
Sinds mensenheugenis is Genoelselderen een straatdorpje in het brongebied van de Demer. In de Sint-Maartenstraat staan meerdere fraaie boerderijené; de kwadraathoeve ‘Sint-Maartenstraat 21’ heeft een 17de-eeuwse kern (dwarsschuur, stal) in Maasstijl. De Sint-Martinuskerk, deels in laatgotiek en deels in Maasstijl uitgevoerd, dateert uit het eind van de 17de eeuw. Aan de Millerstraat, nabij de grens met Millen, staat de merkwaardige Sint-Apolloniakapel, een tot gebedshuis verbouwde wachttoren! In het noordelijk gedeelte van het dorp wordt het landschap volledig beheerst door het kasteelverleden.
Genoelselderen is een kasteeldorp: een haagbeukendreef verbindt de dorpskom met het kasteel. Het neoclassicistisch ‘wijnkasteel’ kadert in een park in landschapsstijl met terrasniveaus en vijvers. Ten noorden van het kasteel staat de monumentale kasteelhoeve, één der fraaiste vierkantshoeven van de regio. Het Grootbos of het Elderenbos (25 ha) situeert zich op de steile dalhelling ten oosten van het kasteel, opklimmend tot aan de grens met Herderen. Sinds het laatste decennium van de 20ste eeuw maken wijngaarden – na een onderbreking van enkele eeuwen - opnieuw deel uit van het landschappelijk decor omheen de historische kasteelsite.

Demografie
In 1971 versmolten Genoelselderen, ’s Herenelderen en Membruggen tot ‘Elderen’. Eén legislatuur of zes jaar later werd de triumviraat opnieuw ontbonden. ’s Herenelderen werd aan Tongeren toegevoegd, terwijl de overige twee deelgemeenten van Riemst werden. Genoelselderen, met zijn 252 ha overigens de kleinste deelgemeente van Riemst, telde op 01/01/2002 463 inwoners wat met een gemiddelde bevolkingsdichtheid van 185 inwoners per vierkante kilometer overeenkomt. Na de Tweede Wereldoorlog is het inwonertal nauwelijks toegenomen en dit ondanks de gunstige ligging nabij de E313, de artificiële westgrens van het dorp.

Naar boven
Herderen

Een historisch-geografisch portret

Nederzetting aan de heerbaan
De zuidgrens van de deelgemeente te Herderen valt samen met de heerbaan tussen Tongeren en Maastricht. In de buurt van deze ca. 200 jaar oude weg werden sporen van een Gallo-Romeinse villa aangetroffen en ligt er nog steeds een tumulus, de “Gentombe” genaamd. Met deze Gallo-Romeinse cultuurresten kan je uitgebreid kennismaken tijdens de “Dorpswandeling Herderen. Deze uitgestippelde wandeling vind je in de geogids van Riemst, te verkrijgen bij Toerisme Riemst.
Hoewel er dus duidelijk indicaties van permanente bewoning omstreeks het begin van onze tijdrekening zijn, dateren de oudste vermeldingen van Herderen uit het begin van het tweede millennium: “Hirtheren” in 1096 en “Herdines” in 1125.
Etymologen brengen de oorsprong van deze benaming in verband met het Middelnederlandse “herd”, wat “bos”
betekent.
Herderen behoorde sinds de 12de eeuw tot het graafschap Loon waarin het rechtstreeks van de Loons graaf in hoogst eigen persoon afhing en ressorteerde vanaf 1366, na de Loonse successieoorlog, onder de prins-bisschop van Luik.
Laatsgenoemde vertrouwde de grondheerlijke rechten in 1766 toe aan graaf de Borchgrave en later aan baron de Sluse. Het feit dat het prinsbisdom Luik een neutraliteitspolitiek voerde, betekende geenszins dat de bevolking tijdens het Ancien Régime geen last had van de machtsconflicten tussen de Fransen, Spanjaarden en Oostenrijkers enerzijds en de Hollanders anderzijds.
Vooral bij de langdurige belegeringen van het bruggenhoofd Maastricht tijdens de Frans-Hollandse oorlog (1672 -79) had de bevolking van Herderen met militaire opeisingen en inkwartieringen van vreemde troepen af te rekenen. Ook de slag van Lafelt in 1747 liet Herderen niet onberoerd. Er wordt immers beweerd dat koning Lodewijk XV deze veldslag gadesloeg vanaf de Sieberg en dat hij bij deze gelegenheid in een boerderij te Herderen overnachtte. Hoe dan ook, in 1971 vond men in een weiland nabij de Gallo-Romeinse tumulus een massagraf met slachtoffers van die memorabele slag van Lafelt.
Op juridisch vlak vormden Herderen en Riemst één Loonse schepenbank, bevoegd voor lagere en middelbare rechtspraak. Voor grote misdrijven werden de beklaagden gehoord en gevonnist door de buitenbank van Bilzen, die tevens bij betwistingen als beroepshof fungeerde.
Herderen werd pas in 1832 een autonome parochie. Voordien resorteerde het als kapelanie-zonder-dooprecht onder de parochie Riemst. Het beschikte echter wel over een eigen begraafplaats. Het patronaatsrecht berustte bij de abdij van Opzinnich te Teuven terwijl de abdij van ‘s Hertogenrade de tienden inde.

Een toren op het krijtplateau
Herderen (516ha) ligt op het zachtgolvende krijtplateau van Zuid-Oost-Limburg. Het reliëf golft doorgaans tussen +100 en +115 meter met de Sieberg (+120m), waar eertijds een windmolen stond, en de heuvelruggen met de kerk (+127m) en de watertoren (+130m) als bevoorrechte panoramische uitkijkposten. Door de aanleg van gebetonneerde “veldwegen” in het kader van de ruilverkaveling is de ontsluiting van het open akkerlandschap rond de dorpskom weliswaar verbeterd, maar tegelijk werden een aantal graften en holle wegen geheel of gedeeltelijk genivelleerd.
Niettemin bleven er met name in de buurt van de Sieberg een aantal “sporen” van het authentieke “landbouwlandschap” intact. De plateauligging enerzijds en de grote permeabilitiet van zowel de leembodem als het diepere krijtsubstraat anderzijds, zorgen ervoor dat er in Herderen geen natuurlijke waterloop voorkomt; valleilandschappen vind je er derhalve niet. De dorpskom ontwikkelde zich ten noorden van de rijksweg Tongeren-Maastricht die in 1804 onder Napoleon werd aangelegd. Voordien waren de De la Brassinestraat en de Maastrichterstraat een onderdeel van de minder rechtlijnige verbindingsweg tussen beide steden;; vandaar dat ook de opvallende concentratie van oude boerderijen langs deze straten. De 56 meter hoge kerktoren beheerst het dorpsbeeld van dit uitgesproken plateaudorp dat door een stelselmatige woonverdichting en de aanwezigheid van weilanden met hoogstamboomgaarden fel contrasteert met de openheid van het omringende akkerlandschap. Van bij de watertoren heb je er een fraai panoramisch zicht op.

Demografie
In een tijdspanne van twee eeuwen is het inwonertal nagenoeg verviervoudigd. De meest recente demografische groei is o.m. het gevolg van de aanleg van de wijk “Groothofstraaat-Sieberg”. Herderen, eerstijds een traditioneel landbouwdorp, evolueerde naar een woonforenzengemeente met pendelaars die in Tongeren, Luik, Maastricht en in mindere mate in het Genkse tewerkgesteld zijn.
Buiten de nog actieve boerderijen en enkele bedrijven in de sector van de bouwnijverheid concentreert de voornaamste plaatselijke werkgelegenheid zich vooral langs de Tongersesteenweg. Op 1 januari 2002 telde Herderen 1452 inwoners hetgeen met een gemiddelde bevolkingsdichtheid van 281 inwoners per vierkante kilometer overeenkomt.

Naar boven
Kanne

Een historisch-geografisch portret

Opkanne en Neerkanne

In de Gallo-Romeinse tijd (1ste-4de eeuw) werd op het Haspengouws krijtplateau tussen Tongeren en Maastricht intensief aan landbouw en vooral graanteelt gedaan. In elke deelgemeente van Riemst vond men aanwijzingen van woonactiviteiten gedurende deze periode. Te Kanne waren dit o.m. een begraafplaats, een legerkamp bij de Sint-Pietersberg en een tumulus aan de grens met Eben-Emael. Ook staat het vast dat er reeds in die tijd in de steile hellingen van het Jekerdal mergelzandsteen werd ontgonnen voor de bouw van woningen en openbare gebouwen in de steden en villa‘s van hereboeren langs de heerbanen op het platteland. De eerste officiële vermelding van “Cannes” dateert van 1096. Toen reeds was het grondgebied in twee delen gsplitst. Opkanne behoorde tot het prinsbisschoppelijk domein van Luik en werd al in 965 aan het Luikse Sint-Martinuskapittel toevertrouwd. Tot aan het eind van het Ancien Régime behield dit kapittel onafgebroken de heerlijke rechten van Opkanne en was het tevens in bezit van de tiend- en patronaatsrechten van de Sint-Hubertusparochie aldaar.
Neerkanne was een allodium (= vrij erfgoed) van het allodiaal hof van Luik. Het was achtereenvolgens eigendom van de families van Liers (1351), Chabot (1454), de Villers (1477), Pité (1496), Van der straten (1575), de Pallant
(1607), de Wansoulle (1663), de Dopff (1697), de Coenen ( 1761) en de Thier (1792). Al deze families verbleven op het kasteel van Neerkanne dat onder Daniël Wolff de Dopff omstreeks 1700 zijn huidig uitzicht verwierf.
Zowel Opkanne als Neerkanne hadden een lokale schepenbank die het Luiks recht volgde en bevoegd was voor de lagere, middelbare en hogere jurisdictie; het schepenhof van Luik fungeerde als beroepshof. Reeds vroeg waren beide heerlijkheden tot één morfologisch en urbanistisch geheel vergroeid. Bij elke aanval op Maastricht (16 – 18de eeuw) hadden de inwoners van Kanne af te rekenen met inkwartieringen, opeisingen en plunderingen van vreemde soldaten.
Van 1794 tot 1843 waren Opkanne en Neerkanne twee afzonderlijke gemeenten. Bij de scheiding van Belgisch- en Nederlands-Limburg in 1843 versmolten ze tot één Belgische gemeente (362 ha) met uitzondering van een stukje Neerkanne dat aan het Nederlandse Wolder werd toegevoegd.Ook het kasteel van de heren van Neerkanne staat sedertdien op Nederlandse bodem en geniet bij onze noorderburen de reputatie ‘s lands enig terrassenkasteel te zijn. Op 01.01.2002 woonden er in Kanne 1203 mensen;; dit komt overeen met een gemiddelde bevolkingsdichtheid van 332 inwoners per vierkante kilometer.

Het witte dorp aan de Jeker
Zijn de overige deelgemeenten van Riemst komdorpen op het Haspengouws krijtplateau, dan heeft Kanne een uitgesproken valleisite. Het ligt immers aan de benedenloop van de Jeker die enkele kilometers stroomafwaarts van de dorpskom in de Maas uitmondt. Het Jekerdal is ca. 40 tot 50 meter in het krijtsubstraat ingesneden. Plaatselijk zijn de valleihellingen dan ook zeer steil.
Bijzonder fraai in dit verband is de “Slingerberg” in de Zusserdel waar de weg zich doorheen een droog dalletje naar boven kronkelt. Het smalle interfluvium tussen het Maas- en het Jekerdal noemt de Sint-Pietersberg. Het landschappelijk meest aantrekkelijke deel van deze heuvelkam situeert zich precies op het grondgebied van Kanne en noemt het “plateau van Caestert”.
Het microklimaat en de kalkrijke bodem bezorgen dit plekje een voor Vlaanderen unieke kalkflora.
Zowel vanuit Wallonië als Nederland legt de cementindustrie echter een zware hypotheek op de toekomst van dit natuurgebied.
Blijft Kanne vooralsnog gespaard van grootschalige krijt- en mergelgroeven, toch werd deze grondstof er eertijds op een meer beperkte schaal en met een geringer landschappelijk impact ontgonnen. Vanaf de 14e eeuw immers werd de noordwestelijke dalflank van de Jekervallei stelselmatig uitgehold en ontstond er een ondergronds labyrint van gangen.
Deze artisanale exploitatie van mergelzandsteen als constructiemateriaal voor gotische, renaissancistische en barokke gebouwen bereikte een climax in de 16e-18e eeuw.
Nadien ebde de belangstelling voor deze zachte en gemakkelijke verweerbare natuursteen geleidelijk weg. Omwille van de constante temperatuur en luchtvochtigheid zijn zulke grotten uitermate geschikt voor de teelt van kampernoelies. Hiervoor werden ze dan ook na de Tweede Wereldoorlog maximaal benut. De Avergat-grotten zijn in groepsverband te bezoeken.
Kanne wordt in toeristische brochures ook wel eens het “witte dorp” genoemd. Alle oude woningen en boerderijen zijn opgetrokken in plaatselijk ontgonnen mergelzandsteen;;; anderen zijn met kalkcement bestreken en wit geschilderd.
De achterin liggende boerderij Cilissen, de U-vormige hoeve Vrijens en L-vormig huis Colijn uit 1651 zijn beschermde gebouwen in streekeigen mergelzandsteen. Er zijn er echter nog veel meer.

Tussen Nederland en Wallonië
Kanne is een uitgesproken grensdorp. De zuidelijke buurgemeente Eben-Emael – thans een deelgemeente van Bassenge – ligt in Wallonië en aan de voet van het kasteel van Neerkanne steek je haast onopgemerkt de landsgrens met Nederland over. In Neerkanne word je op een bijzonder heldere wijze geconfronteerd met het uiteenlopend beleid van beide landen inzake landindeling en ruimtelijke ordening;;;; een hoekige verbindingslijn tussen de ijzeren grenspalen vormt als het ware de linaire scheiding tussen de kernbewoning van het Belgische
Kanne met zijn gekanaliseerde Jeker enerzijds en het open, onbewoonde valleilandschap met groenen weilanden en een meanderende Jeker op Nederlands grondgebied anderzijds. Vanaf de binnenkoer van het kasteel van Neerkanne kan je dit landschappelijk grensfenomeen voortreffelijk gadesklaan.
Aan de Belgische voet van dit kasteel staan overigens nog enkele andere fraaie, historische gebouwen uit de 17e eeuw zoals een korenwatermolen, de H.-Grafkapel en het klooster van de kanunniken van Hoogcruts-Noorbeek.
Verderop in de dorpskom staat de Sint-Hubertuskerk, een moderne zaalkerk (1938) met een Maasgotische toren (15e – 16e eeuw). Aan de kruising van de Bakkerstraat met de Jeker liggen een aantal reusachtige rotsblokken. Deze “zwerfstenen” zijn afkomstig uit de Ardennen;;;;; ze werden tijdens de ijstijden door de Maas op ijsschotsen aangevoerd en in de zgn. Maasterrassen afgezet.

Toeristische troeven
Kanne is ook het dorp waar het Albertkanaal de alluviale vlakte van de Maas verlaat en via een kunstmatig gegraven “kloofdal” doorheen de Sint-Pietersberg eerst het dal van de Jeker dwarst en vervolgens het Haspengouws krijtplateau binnendringt. Onlangs werd naast het kanaal een jachthaven aangelegd. Binnenkort wordt de boogbrug door een hangbrug vervangen.
Jeker en kanaal kruisen elkaar door middel van een tien meter diepe duiker.
Het Albertkanaal (1930 – 39) hoort dan ook wederkerig bij het panoramisch zicht op Kanne, veruit de meest toeristische deelgemeente van Riemst. Je merkt het meteen aan de horeca-bedrijvigheid, de wandelaars, de terrasjes… Bij een bezoek aan Kanne, de parel van de Jekervallei, mag je tenslotte niet nalaten “D‘n Observant” te beklimmen. Deze stortheuvel boven op de Sint-Pietersberg ligt evenwel op Nederlands grondgebied, maar eenmaal boven heb je een uniek grensoverschrijdend zicht op het Albertkanaal, Kanne en de Jekervallei, Maastricht en zijn cementindustrie, de Voerstreek, het land van Herve en het zacht golvend plateau van Droog-Haspengouw…een geotoeristische observatie om van te snoepen.

Naar boven
Membruggen

Een historisch- geografisch portret

Een vroege kolonisatie
In 1952 stootte men, eerder toevallig tijdens graafwerken aan de Rijckerstraat, op een grote hoeveelheid Gallo-Romeinse artefacten. In een matrix van verkoold hout lagen scherven en fragmenten van vaatwerk, pannen, glas, tegels, spijkers, skeletten en een intact mannenhoofd. Het waren overblijfselen van een Romeinse villa uit de 2de – 3de eeuw na Christus.
Membruggen lag immers in de buurt van de heerbaan Tongeren-Nijmegen. Samen met fragmentarische indicaties van de zo typische Romeinse kadasterindeling (centuratio) staaft deze vondst het vermoeden dat ook in het brongebied van de Demer omstreeks het begin van onze tijdrekening aan landbouw werd gedaan.
Sommigen situeerden de eerste kolonisatie zelfs enkele millennia vroeger, doch hiervoor werden nog geen materiële bewijzen aangetroffen. Etymologisch refereren de oude benamingen ’Membrughes‘ (1356) en ’Mommerken‘ (1385) zonder twijfel aan de natte (meer-) en moerassige (-broek) bodemgesteldheid in het brongebied en de bovenloop van de Molenbeek. Daarom is het best mogelijk dat ten tijde van de landname – de eerste belangrijke kolonisatie van deze regio had zo‘n 5000 jaar geleden plaats – precies het contactgebied tussen het ’droge krijtplateau‘ en een ’waterrijk brongebied‘ voor de vestiging van een permanente nederzetting bijzonder attractief was.

Grootheerlijkheid Meummerken
In de 13de eeuw werd Meummerken – zo klinkt nu nog steeds de dialectische benaming – geciteerd als een ’grootheerlijkheid‘ in het graafschap Loon. Na 1366 ressorteerde het onder prinsbisdom Luik. In 1766 vertrouwde de Luikse prins-bisschop de grondheerlijke rechten toe aan graaf de Borchgrave, domproost te Luik. De Loonse schepenbank van Membruggen had uitgebreide bevoegdheden en mocht zelfs doodvonnissen vellen. Wanneer het oppergerecht van Vliermaal, de hoogste rechtbank in het land van Loon, de doodstraf bevestigde, werd de veroordeelde berecht aan de galg die in de buurt van de huidige zandgroeve was opgesteld. Aan het eind van de 12de eeuw schonk Diederik van Pietersem, een vooraanstaande leenman van de graaf van Loon, het patronaats- en tiendrecht van de Sint-Hubertusparochie aan de cisterciënzerabdij van Hocht. De feodale waterburcht van Pietersheim en de abdij van Hocht behoren thans tot de voornaamste toeristische bezienswaardigheden van Lanaken. Tot aan het eind van het Ancien Régime had deze abdij in Membruggen heel wat inkomsten. Ze beschikte onder meer over een tiendhoeve aan de Zagerijstraat 6; dit gebouw heeft een kern uit 1667 maar verwierf zijn huidig uitzicht in 1938 (cfr. Het jaartal op de sluitsteen boven de inrijpoort).

Erfgoed aan de Molenbeek
De Molenbeek, die in Klein-Membruggen ontspringt, behoort tot het wijdvertakte brongebied van de Demer. Omdat moeras- en beemdlandschappen in Groot-Riemst uiterst zeldzaam zijn, bevelen we een natuurwandeling in de Molenbeemd warm aan. In overeenstemming met de stroomrichting van de Molenbeek daalt het reliëf van +111 meter in het zuidoosten naar + 69 meter in het noordwesten. Mettertijd zijn het lager gelegen Klein-Membruggen enerzijds en het bochtige straatdorp Membruggen anderzijds tot één komdorp versmolten. De neo-Romaanse Sint-Hubertuskerk staat langs de Zagerijstraat, de oudste verbindingsweg tussen beide kernen. Al zoek je te Membruggen vruchteloos naar imposante vierkanthoeven, toch vind je langs de Dorpsstraat, de Zagerijstraat en de Demerstraat talrijke herinneringen aan het landbouwverleden: rondboogvormige en rechthoekige schuurpoorten, restanten van vakwerkbouw, bakstenen gevels met mergelzandstenen speklagen… De oudste hoeve staat aan de Zagerijstraat 12, vlak bij de parochiekerk. In dit pand, dat in de kern uit de 17de eeuw dateert, woonde eertijds burgemeester Martens zoals de inscriptie boven de rondboogpoort preciseert.
Anno 2002 werd deze voormalige dorpsboerderij i.o. van de Gewestelijke Bouwmaatschappij Tongershuis verbouwd en gerenoveerd tot een complex van 9 woningen… een voorbeeld van traditionele eigenheid en respect voor het bouwkundige patrimonium. Thans is Membruggen in de eerste plaats een woonforenzengemeente die via de Rijckerstraat met de N758 Tongeren-Mopertingen verbonden is. Deze gunstige ontsluiting verklaart meteen de recente lichtbebouwing langs deze uitvalsweg. In Membruggen benut men de natuurlijke rijkdom van de bodem niet alleen voor agrarische, maar ook voor economische doeleinden. Aan de zuidelijke rand van de dorpskom situeren zich immers een verlaten zandgroeve (1961) en het bedrijf ’Steenbakkerijen van Membruggen‘ waar sinds ca. 1910 uit de kalkrijke leemlaag bakstenen vervaardigd worden.
Het gesloten karakter van de dorpskom met zijn nog steeds toenemende woningbouw, kleine percelen, weilanden met canadapopulieren, boomgaarden en houtkanten contrasteert met het open akkerlandschap eromheen.
De grote blokvormige kavels, kunstmatig gecreëerd door de ruilverkaveling van 1970, zijn ontsloten door een netwerk van smalle betonwegen. Dat Membruggen (320ha) aan de noordrand van het Zuid-Limburgs krijtplateau ligt, blijkt niet alleen uit het reliëf. Ook de fruitteelt wijst erop dat Vochtig-Haspengouw en de Fruitstreek vlakbij zijn.

Demografie
Op 1 januari 1971 versmolt Membruggen samen met Genoelselderen, Ketsingen en ‘s Herenelderen tot ’Elderen‘. Eén legislatuur of zes jaar later werd deze fusie echter ontbonden. Genoelselderen en Membruggen, gelegen ten oosten van de E313, werden naar Riemst overgeheveld;; ‘s Herenelderen en Ketsingen werden deelkernen van Tongeren. Op 01/01/2002 was het inwonertal van Membruggen opgelopen tot 790, wat met een gemiddelde dichtheid van 247 inwoners per vierkante kilometer overeenkomt. Membruggens demografische evolutie gedurende de jongste twee eeuwen vertoont een geleidelijke stijging met een trage aanloop en een eerder uitzonderlijke stagnatie gedurende de 19de eeuw. Deze was o.m. te wijten aan een aantal misoogsten en pestepidemieën, veroorzaakt door gebrekkige hygiënische omstandigheden. In feite realiseerde Membruggen zijn sterkste demografische groei in de 20ste eeuw toen het geleidelijk van een traditioneel landbouwdorp naar woonforenzengemeente evolueerde.

Naar boven
Millen

Een historisch-geografisch portret

Een heerlijk verleden
Langs de Oude Steenstraat, eertijds behorend tot het tracé van de heerbaan Tongeren-Maastricht, werden in 1962 overblijfselen van drie Romeinse villa‘s uit de tweede eeuw na Christus opgegraven.
Andere materiële sporen van bewoning tijdens de Gallo-Romeinse periode zijn een tumulus en restanten van de centuratio, d.i. de typische land- en kadasterindeling uit die tijd. In de Middeleeuwen was ’Milina‘ een Loonse heerlijkheid, die voor het eerst officieel vermeld werd in 1143. De oudst gekende heer is Walterus de Milne, seneschalk van graaf Lodewijk II van Loon. Het leengoed werd achtereenvolgens bestuurd door de families de Melin, Proest (1369), van Guygoven (1456), van Berloz (1479), van Houthem (1531), de Fléron (1625) en d‘Hemricourt (1741). De opvolging kwam steeds door huwelijk, erfenis of schenking tot stand. Deze families woonden in de gotische waterburcht die in de 17de eeuw tot een residentieel kasteel in Maasstijl verbouwd werd. Ook de ’Motte‘ aan de Peperstraat was gedurende meer dan drie eeuwen eigendom van de ’heren van Millen en Cauwenberg‘. In Millen lagen nog twee andere Loonse heerlijkheden, nl. het adellijk huis Van den Bosch en het slot van Eggertingen. Het laatstgenoemde was achtereenvolgens eigendom van de geslachten van Gelinden van Eggertingen (1367), van Betho (1437) en van Mettekoven (1456-eind 18de eeuw). Met uitzondering van het Cauwenberghof en de buurt rond de ’heerlijke‘ waterburcht waar het Loons recht gesproken werd, was in Millen het Luiks strafrecht van toepassing. Onder het Frans bewind was Millen, van 1796 tot 1802, kantonhoofdplaats voor 19 omliggende dorpen. Het ’Luikse‘ tolhuis aan de Oude Steenstraat dateert van 1781-83. Volgens een oorkonde van 959-971 werden de kerkelijke rechten van de Sint-Stefanusparochie en haar dochterkapellen te Val en Meer reeds aan het eind van het eerste millennium aan het Sint-Martinuskapittel van Luik geschonken. Deze schenking, die zowel het benoemingsrecht van de pastoor als het inningsrecht van de tienden omvatte, bleef tot aan het eind van het Ancien Régime van kracht.

Een typische nederzetting op het krijtplateau
Het golvend Haspengouwse leem- en krijtplateau daalt op het grondgebied van de taalgrensgemeente Millen geleidelijk van ca. +150 m in het zuidwesten tot ca. +100 m in het noordoosten. De langgerekte depressies in het reliëf komen overeen met droge dalen, die gedurende de laatste ijstijd door het oppervlakkig afstromend regenwater in de lemige dekmantel uitgeschuurd werden. Wegens de permanent bevroren ondergrond kon het water toen immers niet in de bodem dringen. De geografische site van Millen noemt men een ’dalhoofdsite‘, waarbij de oude waterburcht en de motheuvel precies in de as van een droog valleitje liggen. Aan de top van de noordelijke dalhelling ligt het oude landbouwgehucht ‘Dries‘, terwijl de eigenlijke dorpskom zich op de zuidelijke dalhoofdhelling ontwikkelde. Beide zijn verbonden door de Papesteeg, een typische ‘kerkwegel‘. Het centraal, vierzijdig pleintje van het gehucht Dries was begrensd door de Millerdries, de Van den Boschstraat en de Peperstraat. Het plein zelf, dat o.m. als verzamelplaats voor de veestapel fungeerde, werd in de loop van de 19de eeuw verkaveld. In de beschermde dorpskom (K.B. van 14.10.1980) is de oude kernbewoning in achtvorm rond de Sint-Stefanuskerk geconcentreerd. Typisch in dit verband is het cirkelvormig patroon van de Tikkelsteeg en de Kromstraat. Je vindt er grote vierkanthoeven naast kleinere boerderijen en gewone dorpswoningen en verder ook het oud-gemeentehuis, de fraaie pastorie en de dorpsschool.
De geografische en landschappelijke evolutie van Millen gedurende de twee jongste eeuwen is overzichtelijk in beeld gebracht aan de hand van vier vergelijkbare kaarten.

Al is Millen kriskras dooraderd met diverse oude en ook recentere verkeerswegen – de Romeinse heerbaan tussen Tongeren en Maastricht, de N79 (Tongeren-Maastricht; 1804) en de E313 (Antwerpen-Luik;; ca. 1960) – toch wist het zich als één der meest representatieve kerndorpen op het krijtplateau van Millen-Riemst te handhaven: een druk bebouwde en verbouwde dorpskern met tientallen vierkanthoeven, veilig geborgen in een groen omhulsel van weilanden met boomgaarden en neergelegd te midden van een herverkaveld en open akkerlandschap. Millen is Droog-Haspengouw ten voeten uit. Je kan er naar hartelust van genieten tijdens de geotoeristische dorpswandeling.

Naar boven
Riemst

Een historisch-geografisch portret

Een oude nederzetting

Dat Riemst op een zeer vroege kolonisatie terugblikt, blijkt uit archeologische vondsten van diverse culturen, nl. relicten van een bandceramische nederzetting omstreeks 3000 voor Christus, artefacten uit de Gallo-Romeinse tijd en sporen uit de Merovingische periode. Laatsgenoemden werden aangetroffen in de fundamenten van de oude kerk. In de buurt van de Gallo-Romeinse heerbaan Tongeren-Maastricht ontdekte men in 1935 niet minder dan 55 toebehoren van een herengraf. Wellicht betrof het de site van een tumulus waarvan de aarden wal achteraf genivelleerd werd. Archeologisch onderzoek van de gebruiksvoorwerpen – o.m. kommetjes in wit aardewerk, flessen in gekleurd glas, kannen in lichtbruine klei en vaatwerk in terra sigillata; al deze stukken bevinden zich momenteel in het Gallo-Romeins Museum te Tongeren – dateerde deze begraafplaat in de tweede eeuw na Christus. Ook werden er op het grondgebied van de gemeente een 200-tal muntstukken van omstreeks 260-270 na Christus gevonden.

Een heerlijkheid in het land van Loon
In een oorkonde van 965 wordt de plaatsnaam “Rumanzeis” voor het eerst vermeld. Later werd dit “Reimost”, “Rimest” en uiteindelijk vanaf 1524 Riemst. In de 13-14de eeuw was Riemst een heerlijkheid in het land van Loon. In 1366, na de Loonse successieoorlog, kwamen de grondheerlijke rechten in handen van de prins-bisschop van Luik. In 1766 schonk de prins-bisschop deze bevoegdheid aan graaf J. de Méan en later aan baron de Sluse, tevens kanunnik van het Sint-Lambertuskapittel te Luik. In 1529 en 1600 eisten pestepidemieën heel wat slachtoffers. Bovendien werd de bevolking herhaaldelijk geruïneerd door opeisingen, plunderingen en inkwartieringen van legers die via het neutrale prinsbisdom Luik naar Maastricht oprukten;; dit was o.m. het geval in 1579-85 (Farnese), 1632 (de verovering van Maastricht door Frederik-Hendrik van Nassau), 1673-1676 (inname van Maastricht door Lodewijk XIV) en in 1747 (de slag van Lafelt,)
Maastricht was immers van de 16de tot de 19de eeuw één van de meeste betwiste vestingen in de Nederlanden. Bij de bestuurlijke reorganisatie door het Frans bewind was Riemst in 1795 kortstondig kantonhoofdplaats van 18 plattelandsgemeenten in het departement Nedermaas. Enkele maanden later werd deze functie aan het grotere en meer bevolkte Millen toevertrouwd.
Zowel op parochiaal als op juridisch vlak waren Riemst en Herderen lange tijd zeer nauw met elkaar verbonden. Hun gezamenlijke schepenbank, bevoegd voor lagere en middelbare jurisdictie, volgde de Loonse rechtspraak en wendde zich voor de hogere rechtspraak tot de buitenbank van Bilzen, die tevens als beroepshof fungeerde. De Sint-Martinusparochie, vermoedelijk gesticht ten tijde van de vroegmiddeleeuwse kerstening (6e-7e eeuw), is toegewijd aan één van de meest prominente figuren uit de kersteningstijd. Tot 1834 waren ook Herderen en Heukelom op parochiaal vlak van Riemst afhankelijk.
De patronaats- en tiendrechten werden, volgens een overeenkomst uit 1303, gedeeld door de abdijen van Munsterbilzen en Sinnich-Teuven.

Demografie
Al groeide Riemst in een tijdspanne van twee eeuwen uit van een bescheiden dorpje met amper 185 inwoners in 1806 – het was toen zelfs de minst bevolkte deelgemeente – tot een kerndorp van 1685 inwoners in 2002, toch bleef de lineaire scheiding tussen de dorpskom en het omliggende akkerlandschap vooralsnog intact.
Het kleine Riemst (386 ha) werd vooral dankzij zijn centrale ligging en zijn goede verkeerstechnische ontsluiting de administratieve draaischijf van een tiendelige fusiegemeente zonder een echt dominante kern of een centraal winkelcentrum. Door de forse aangroei van het inwonertal na de fusie wist Riemst zich wel op te werken tot de dichts bevolkte deelgemeente: op 01.01.2002 bedroeg de bevolkingsdichtheid 436 inwoners per vierkante kilometer.

Riemst groeit
In de evolutie van het nederzettingspatroon kan men drie fasen onderscheiden.
Lange tijd was Riemst een kerndorp aan twee elkaar kruisende assen, nl. de Pustraat – Klein-Lafeltstraat en de Gerestraat-Paenhuisstraat. Uiteraard staan alle historische gebouwen en oude boerderijen langs deze straten: Het Swaenhoff aan de Gerestraat, het Paenhuis aan de Paenhuisstraat en een monumentale, mergelzandstenen hoeve met 17de eeuwse kern aan de Putstraat 20. De Klein-Lafeltstraat is vooral interessant omdat je er zowel hoeven met een L-vormige, een U-vormige als een vierzijdige plattegrond aantreft. De neogotische Sint-Martinuskerk, de pastorie en het voormalig gemeentehuis staan vlak bij de kruising van hoger genoemde straten.
In de eerste helft van de 19de eeuw werden de Vlaamse steden – in de economische context van de industriële omwenteling was de verbetering van de interstedelijke verbindingswegen noodzakelijk – door nieuwe, rechtlijnige ”steenwegen” verbonden. De kruising van de wegen Tongeren-Maastricht(1804) en Visé-Bilzen(1833) situeerde zich precies te Riemst, zo‘n halve kilometer ten noordwesten van de dorpskom. In de 19de en in de eerste helft van de 20ste eeuw had de woonuitbreiding vooral betrekking op lintbebouwing langs deze steenwegen.
Thans vind je er een bonte afwisseling van particuliere woningen en handelspanden, winkels, banken, horeca en diensten zoals het Toerismekantoor. Het verkeerstechnisch belang van zo‘n kruispunt wordt extra aangetoond door de ruime parking voor lijnbussen. Even verderop, in de richting van Maastricht, staat het moderne gemeentehuis dat de administratieve diensten van de fusie centraliseert. Anno 2002 bestaan er plannen voor de heraanleg van het kruispunt als rotonde.

De derde groeifase dateert van na de jongste fusie (1977) toen de relatief vochtige weilanden tussen de Putstraat, de Toekomststraat, de Tramstraat en de Paenhuisstraat voor private woningbouw verkaveld werden en als dusdanig plaats ruimden voor de woonwijk Krinkelsgracht. Tot de recente, urbanistische projecten behoort ook het industrieterrein.”Op‘t Reeck” ten noorden van de N79. Anno 2002 huisvest dit terrein een twintigtal bedrijven.

Naar boven
Val-Meer

Een historisch-geografisch portret

Falla + Mheer = Val-Meer

Ook te Val-Meer, gelegen ten zuiden van de heerbaan Tongeren-Maastricht, noteerde men diverse vondsten uit de Gallo-Romeinse tijd. Zo werden er op de Meerberg en in de buurt van de Bolderstraat restanten van Romeinse villa‘s aangetroffen. De inhoud van een Romeins graf, ontdekt in 1866, staat thans te kijk in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum van Tongeren; het betreft o.m. schotels, urnen en glaswerk.
Tot aan het eind van het Ancien Régime waren “Fall” en “Mheer” op administratief en juridisch vlak twee afzonderlijke entiteiten. De oudste vermelding van “Falla” dateert van 1147. “Val” was in de Middeleeuwen een Loonse heerlijkheid. In het Ancien Régime behoorde het tot het baljuwschap Bilzen. De lokale schepenbank, bevoegd voor de lagere en middelbare jurisdictie, ressorteerde voor wat de hogere rechtspraak betrof onder de buitenbank van Bilzen;; laatsgenoemde fungeerde tevens als beroepshof bij eventuele betwistingen van de uitspraken van de Valse schepenen.
“Mheer” daarentegen vormde samen met Bolder een andere Loonse heerlijkheid die in de 14de eeuw eigendom was van het geslacht van Guygoven (cfr.Geogids Kortessem) en in 1588 verkocht werd aan de invloedrijke familie de Méan. Enkele leden van de familie de Méan werden in de Sint-Severinuskapel van Mheer begraven.
De autonomie van de tweelingparochie Val-Meer dateert uit het begin van de 19e eeuw.
Voordien waren Val en Meer dochterkerken of kapelanieën van de parochie Millen.
De erediensten werden weliswaar door dezelfde kapelaan verzorgd, maar beide beschikten over een kerkfabriek en een armentafel. Het tiend- en patronaatsrecht berustte bij het Sint-Martinuskapittel van Luik. Nu nog steeds worden er in de twee kerken van Val-Meer, de Sint-Stefanuskerk van Val (zaterdag om 18 uur en zondag om 10 uur) en de Sint-Severinuskerk van Meer (zondag om 8 uur), weekendvieringen gehouden. De Romaanse torens van deze gebedshuizen behoren tot de oudste monumenten van de regio. Tot de meest bekende inwoners van Val-Meer behoort ongetwijfeld Mgr. Kerkhofs, tussen 1927 en 1962 bisschop van Luik.

Twee gehuchten, één nederzetting
Op de Ferrariskaart, die de landschappelijke toestand omstreeks 1775 weergeeft, zijn Meer en Val twee duidelijke van elkaar gescheiden dorpen. In Meer waren de boerderijen geconcentreerd langs de Bergstraat en de Bodemstraat, met het Romaans-gotisch parochiekerkje centraal op de hoek van beide straten.
Val was een meer langgerekt en bochtig straatdorp met de Bampstraat en de Grotestraat als centrale as. Uiteraard tref je dan ook in het huidige Val-Meer (509 ha) langs hoger genoemde straten de oudste gebouwen en fraaiste boerderijen aan;;; meer dan eens zijn ze geheel of gedeeltelijk in mergelzandsteen uitgevoerd. Typisch is het voortdurend verspringend verloop van de rooilijn;;;; dit verwijst naar een spontane ontwikkeling van het straatbeeld. In de loop van de 19e en de 20ste eeuw zijn de woonkernen van Meer en Val tot één dorpskom vergroeid, zodat je thans haast onopgemerkt van het ene naar het andere deel overgaat. Parallel met en ten oosten van de oude kernbewoning volgens de bochtige as “Bergstraat-Bampstraat-Grote-straat” ontwikkelde zich de jongste decennia een tweede woonzone met lintbebouwing langs de meer rechtlijnige as “Mgr. Kerkhofslaan-Verbindingsweg”.

Open fieldlandschap
Via een aantal brede glooiingen klimt het reliëf geleidelijk van ca. +100 meter in het noorden tot +141 meter in het zuiden.
Permanente waterlopen van natuurlijke aard zijn er op het krijtplateau te Val-Meer niet te bespeuren.
De fysionomie van het openfield-landschap dat zich rondom de dorpskom ontvouwt, is door de recente ruilverkaveling ingrijpend gewijzigd. Vooral de zgn. Kleine landschapselementen, zoals holle wegen, graften en andere botanische perceelsgrenzen zijn fors uitgedund. Deze thematiek staat centraal in de geotoeristische landschapswandeling in het zuidwestelijk deel van Val-Meer.

Naar boven
Vlijtingen

Een historisch-geografisch portret

Een prehistorische site
Op archeologisch vlak is Vlijtingen ongetwijfeld één van de meest boeiende deelgemeenten van Riemst. Vlakbij ligt immers Kesselt waar in de vallei van het Hezerwater meervoudige sporen van Neandertalers uit het Midden-Paleoliticum aangetroffen werden.
In het plaatselijk heemkundig museum zijn niet alleen vondsten uit de Gallo-Romeinse tijd tentoongesteld maar ook artefacten uit de Steen- en IJzertijd. Vooral hoog gelegen plaatsen zoals de Keiberg en de Lippenberg, alsook de omgeving van de GalloRomeinse heerbaan.
Tongeren-Maastricht, waarvan het tracé nog gedeeltelijk bewaard is, profileren zich als rijke archeologische vindplaatsen. Het feit dat er ook sporen uit de Merovingische tijd aangetroffen werden, bevestigt dat Vlijtingen terugblikt op een nagenoeg continue bewoning sinds het begin van de landname (d.i.ca. 5000 jaar geleden) na de Weichseltijd.

Onder de vleugels van Maastricht
Tijdens de Middeleeuwen en het Ancien Régime behoorde Vlijtingen, zowel op burgerlijk als op kerkelijk
vlak,tot het invloedrijke domein van het Maastrichtse Sint-Servaaskapittel. Hierdoor kende het ten overstaan van de overige deelgemeenten van Riemst een aparte historische ontwikkeling. Net zoals ondermeer Zepperen, Mechelen-aan de-Maas , Grootloon, Koninksem, Sluizen en het naburige Hees was Vlijtingen één van de elf zgn. “banken” van dit Sint-Servaaskapittel. Deze dorpen werden als dusdanig voor het eerst officieel vermeld in 1139 toen Paus Innocentius II de schenking (11e eeuw) van deze dorpen door de Duitse keizer Hendrik IV aan de Sint-Servaaskerk van Maastricht bekrachtigde. Al deze dorpen stonden als vrije rijksheerlijkheden rechtstreeks onder het gezag van de Duitse Keizer en werden in de persoon van een kannunik-rijproost door het Sint-Servaaskapittel bestuurd. Voor wat Belgisch-Limburg betrof, waren het dus “enclaves” buiten de invloedssfeer van de graven van Loon, na 1366 de prins-bisschoppen van Luik.
Meermaals doch zonder resultaat hebben laatstgenoemden getracht deze enclaves aan hun gezag te onderwerpen.
Te Vlijtingen zetelden twee rechtbanken, nl. de lokale schepenbank en de “hoofdbank van Vlijtingen”. De hoofdbank behandelde, als centraal beroepshof voor burgerlijke zaken, de betwistingen omtrent de vonnissen en de uitspraken van de elf plaatselijke schepenbanken. Ze bestond uit afgezanten van de elf dorpen en vergaderde onder voorzitterschap van de graaf van Vlijtingen. Het statuut van vrije rijksheerlijkheid impliceerde ook dat de lokale schepenbank bevoegd was voor criminele en lijfstraffelijke misdaden en in die hoedanigheid zelfs de doodstraf (het halsrecht) mocht uitspreken. Hiertegen konden de veroordeelden enkel beroep aantekenen bij de keizerlijke hoven van Soiers en Aken; na 1573 moesten ze zich hiervoor wenden tot de commissarissen-deciseurs van Maastricht.

Een dorpskom met erfgoed
Er is een duidelijk verband tussen het reliëf en de ligging van de dorpskom. Laatsgenoemde ontwikkelde zich immers in het droog dal van het Hezerwater, dat volgens een nagenoeg rechte lijn in noordoostelijke richting naar de Maas afwatert. De Meer, het oude dorpsplein met de openbare drinkpoel, ligt precies op de concave dalbodem. Hier stonden indertijd het kasteel Daelhof, eigendom van het Sint Servaeskapittel, en het Blockhuis waar de “hoofdbank van Vlijtingen” vergaderde en de rijproost verbleef. Dit erfgoed werd bij de slag van Lafelt vernield en verdween nadien uit het dorpsbeeld. De Mheerstraat behoort samen met Sint-Albanusstraat ( de vroegere Kerkstraat met zijn fraaie pastorie), de Smisstraat, de Jodenstraat, de Erhemstraat en de Ophemmerstraat tot de oudste straten van het dorp. Er waren eertijds tientallen boerderijen: het resterend patrimonium is geïdentificeerd door naam- en infobordjes die de Landelijke Gilde naar aanleiding van hun honderjarig bestaan in 1995 tegen de straatgevels aanbrachten. Mettertijd groeide Vlijtingen uit tot een komdorp met een min of meer orthogonaal netwerk van parallelle straten en onderlinge verbindingswegen. Als gevolg van een gestage woonuitbreiding - zowel door inbreiding als perifere nieuwbouw (Simenonlaan, Bijsstraat, Molenweg, Panisveld) – zijn in en rond de dorpskom weinig hoogstamboomgaarden bewaard gebleven. De agrarische bedrijvenheid migreerde naar de rand van de dorpskom waar je nieuwe en moderne landbouwbedrijven, tuinbouw, serreteelt en laagstammige fruitplantages aantreft. De onmiddellijke nabijheid van de afzetmarkt Maastricht stimuleerde de verruiming van de agrarische activiteiten naar tuinbouw en fruitteelt.

Ellicht en Lafelt
Evolueerde Vlijtingen naar een uitgesproken woonforenzengemeente, dan bleef Ellicht een bescheiden landbouwgehucht met amper twee boerderijen. De gerestaureerde windmolen Winning aan de Ellichtstraat 8 dateert van 1821. Anders is het gesteld met Lafelt, bekend omwille van zijn veldslag in 1747. In dit straatgehucht, dat een eigen kerkje heeft, zijn enkele monumentale hoevecomplexen, o.a. de gerestaureerde”Merenborch Hoeve”(Iers-Kruisstraat 94) uit 1863 en de vierkanthoeve ”Coenegrachts” aan de Iers-Kruisstraat 76 – 78, sfeerbepalend en indicatief voor het agrarisch verleden. Maar ook in Lafelt is het agrarisch duidelijk ondergeschikt geworden aan de woonfunctie. Nieuwbouw neemt stelselmatig uitbreiding , vooral aan de randen (richting N78) en langs de zuidelijke Omloopstraat.
Halverwege tussen Vlijtingen en Lafelt staat het Iers Kruis. Dit monument is niet alleen een ideaal aanknopingspunt voor de reconstructie van de “slag van Lafelt”, maar tegelijk een interessante panoramische uitkijkpost op de ruime omgeving. Ondanks alles blijven hoogwaardige teelten zoals tarwe en suikerbieten hier het uitzicht van het openfield-landschap mede bepalen.
Inzake ruilverkaveling had Vlijtingen (883 ha) een primeur: het was immers de eerste Vlaamse gemeente waar een globale, gemeentelijke ruilverkaveling (1957 -63) verwezenlijkt werd.
Maar ook deze medaille heeft een minder prettige keerzijde: de ruilverkaveling zou mede oorzaak zijn van de overstromingen en wateroverlast die de inwoners van Vlijtingen sedertdien herhaaldelijk te beurt viel… De dorpskom is immers ontkiemd en gegroeid in het valleitje van het Hezerwater.

Demografie
Sinds het begin van de 20ste eeuw is het inwonertal verdubbeld, zodat Vlijtingen na Zichen-Zussen-Bolder de meest bevolkte deelgemeente van Riemst is. Op 01.01.2002 woonden er in Vlijtingen 2477 mensen;; dit betekent een bevolkingsdichtheid van 281 inwoners per vierkante kilometer.
Het aandeel van Lafelt hierin bedroeg 456 personen.
Vlijtingen is een degelijk uitgeruste kern met heel wat winkels, diensten en voorzieningen.

Naar boven
Vroenhoven

Een historisch- geografisch portret

Een vroege kolonisatie

In Vroenhoven vond men twee sites met artifacten van bandkeramiekers, nl. in Heukelom en in de buurt van de watertoren. De bandceramische culturen situeren zich in de prehistorie, meer bepaald in de Late Steentijd (ca. 5000 tot ca. 3000 voor Christus).
Het zijn de eerste sedentaire landbouwers in onze gewesten na de laatste ijsstijd. Typisch voor hun cultuur zijn de handgevormde, half bolvormige potten met spiraalvormige of hoekige banden.
Ook de Gallo-Romeinse kolonisatie- overigens geenszins verwonderlijk aangezien het grondgebied zowel door de heerbaan Tongeren-Maatricht als de heerbaan naar Nijmegen doorkruist werd- liet meerdere sporen na, nl. een genivelleerde tumulus, restanten van een villa en een muntvondst.

Vroenhoven + Montenaken = Vroenhoven
Tot aan het eind van het Ancien Régime was “Vroenhof” de benaming van een graafschap wiens middeleeuwse geschiedenis zeer nauw met deze van het naburige Maastricht verbonden was. Hoe en wanneer dit graafschap ontstond, is niet precies geweten.
Algemeen wordt aangenomen dat het een kroondomein of koningsgoed was dat als een soort rijksheerlijkheid rechtstreeks onder de bevoegdheid van de Duitse keizer ressorteerde. Het graafschap Vroenhof omvatte Heukelom, Montenaken, de heerlijkheid Lenculen (gelegen binnen de wallen van Maastricht) en het dorp Wylre. In 1206 schonk de Duitse keizer Hendrik II dit graafschap samen met de stad Maastricht aan de hertog van Brabant. Het was een complete schenking aangezien het zowel de grondheerlijke als de hoogheerlijke (= de jurisdictie) rechten betrof. De schepenbank van Vroenhof, zetelend bij de oude Lenculenpoort te Maastricht, oordeelde dan ook volgens het Brabants wetboek en fungeerde tevens als beroepshof voor de lokale schepenbanken in de zgn. “redemptiedorpen. Dit waren acht soortgelijke Brabantse enclaves (o.a. Nerem, Rutten, Veulen, Hoepertingen, Mopertingen) in het land van Loon die hun vrijheid door het betalen van een vaste jaarljkse rente afkochten of redimeerden.
Tegen de vonnissen van de schepenbank van Vroenhof kon enkel beroep aangetekend worden bij de hoogste keizerlijke hoven van Aken en Wetzlar. Na de verovering van Maastricht in 1632 kwamen de soevereiniteitsrechten van het graafschap Vroenhof in bezit van de Staten-Generaal van de Verenigde Provinciën. Op kerkelijk vlak viel de kapel van Montenaken onder de bevoegdheid van de Sint-Pieter- en –Paulusparochie van Wylre, waar de landcommandeur van Alden Biesen het patronaatsrecht bezat.
Heukelom daarentegen had geen eigen gebedshuis en was kerkelijk geïntegreerd in de parochie Herderen-Riemst.
Toen Limburg in 1839 in een Belgische en een Nederlandse provincie opgedeeld werd, werd ook het oude graafschap Vroenhof in tweeën gehakt. Montenaken en Heukelom noemden voortaan Vroenhoven. Aan de overkant van de landsgrens lag Oud-Vroenhoven (Wylre en Wolder), dat in 1919 administratief aan Maastricht werd toegevoegd.

Aan het Albertkanaal situeerden de bandkeramische nederzettingen zich bij voorkeur op de hogere reliëfs en was de Gallo-Romeinse bewoning vooral in de buurt van de meer noordelijk gelegen heerbanen geconcentreerd, dan ontstonden Montenaken en Heukelom als permanente nederzettingen van Frankische en Merovingische veetelers omstreeks de 6e-7e eeuw na christus.Tot een heel eind in de 20ste eeuw bleven het bescheiden landbouwdorpjes van het straatdorptype.
Dit gold a fortiori voor het meer geïsoleerde Heukelom waar nagenoeg alle oude boerderijen en zelfs een aantal huizen zo niet geheel dan toch gedeeltelijk in streekeigen mergelzandsteen zijn uitgevoerd.
Al neemt de woonfunctie ook hier langzamerhand en vooral aan de randen (cfr. De Kemstraat) uitbreiding, toch wist het bochtige Heukelomdorp zijn agrarische identiteit vrij gaaf te bewaren.
Na de aanleg van de woonwijk Krinkelsgracht zijn de dorpskom van Riemst en het Vroenhovense gehucht Heukelom nagenoeg tot één morfologische woonentiteit versmolten.
De Pastoor Counestraat was de centrale as van het grensdorp Montenaken. Enkele vierkanthoeven getuigen hiervan. De recente urbanistische ontwikkeling gebeurde logischerwijze in de richting van de N79 en dit onder de gedaante van een nog steeds aanzwellende lintbebouwing. Langs deze steenweg vindt je een aantal typische activiteiten die intrinsiek met het fenomeen “landsgrens” verweven zijn of waren. Aan het specifieke sociale verleden van zulke grensdorpen word je te Vroenhoven, op de hoek van de Lafelterweg en de Krijtstraat, symbolisch herinnerd door het standbeeld “ De Smokkeleire van Montenaoke” (1992). Het oostelijk deel van Vroenhoven wordt landschappelijk volledig beheerst door het Albertkanaal dat ussen 1930 en 1939 enkele tientallen meters diep in het krijtsubstraat uitgegraven werd.

Demografie
De splitsing van het graafschap Vroenhof in een Belgisch en een Nederlands deel verklaart de forse terugval van het inwonertal in 1839. Waar het inwonertal van de meeste Riemsterse deeldorpen na 1961 nog amper steeg en in enkele gevallen zelfs een lichte terugloop kende, noteerde men in het grensdorp Vroenhoven en in het centrumdorp Riemst een gevoelige aangroei.
Dit is, althans voor wat Vroenhoven betreft, vooral te wijten aan een niet geringe inwijking van Nederlanders. Op 01.01.2002 telde Vroenhoven 1636 inwoners, nl. 350 te Heukelom en 1286 in Montenaken, wat met een dichtheid van 220 inwoners per vierkante kilometer overeenkomt.

Naar boven
Zichen-Zussen-Bolder

Een historisch- geografisch portret

Gallo-Romeinse artefacten

Op basis van enkele fragmentarische vondsten van voorwerpen uit bandceramische culturen neemt men aan dat Zichen, Zussen en Bolder reeds enkele millennia voor het begin van onze tijdrekening bewoond waren. In de Gallo-Romeinse tijd werd er alvast mergelzandsteen ontgonnen voor de bouw van villa‘s langs het heerbanennet op het oostelijk gedeelte van het Haspengouws krijtplateau.
Volgens sommigen is de Pietjesstraat, de verbindingsweg tussen Zichen en Eben, van GalloRomeinse oorsprong. Na de ruilverkaveling is het de enige holle aardeweg op het grondgebied van Zichen-Zussen-Bolder

Zichen en Zussen
Tijdens de Middeleeuwen en het Ancien Régime waren de heerlijkheden Zichen en Zussen, voor het eerst officieel vermeld in 1139, nauw met elkaar verbonden. In tijden dat ze dezelfde grondheer hadden bv. in de 14e eeuw, hingen ze achtereenvolgens af van de families van Mopertingen (1357), van der Marck (1364) en Bruyst (1394) – hadden ze één schepenbank die het Loonse landrecht toepaste. Meestel waren ze echter van verschillende grondheren afhankelijk. In het kader van de Luikse burgeroorlogen tijdens de laatste decennia van de 15e eeuw had in 1482, nabij de verdwenen burcht aan de “Burchtstraat”, een militaire confrontatie plaats tussen de Maastrichtenaars en aanhangers van Evrard van der Marck. Bij dit treffen, ook wel eens de “veldslag van Zichen” genoemd, sneuvelden meer dan 500 soldaten. In 1509 verkocht toenmalige grondheer Evrard van der Marck Zichen en Zussen aan het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, dat reeds meerdere plattelandsdorpen in de omgeving bestuurde.
De patronaats- en tiendrechten van de Zichense Sint-Pietersparochie waren in handen van de deken van het Maastrichtse Sint-Servaaskapittel. De Sint-Genovevakapel van Zussen was een kapelanie waarvan de bedienaar door de pastoor van Zichen aangesteld werd. Pas in 1843 werd Zussen een autonome parochie. Naar aanleiding hiervan werd de oude kapel door een nieuwe parochiekerk in neogotische stijl vervangen. De 14e-eeuwse, gotische Sint-Pieter-en –Laurentiuskerk van Zichen werd in de loop van de 19e en de 20ste eeuw ingrijpend verbouwd. Beide gebedshuizen bestaan integraal uit mergelzandsteen.

Bolder
Bolder, dat samen met Meer een andere Loonse heerlijkheid vormde, was lange tijd eigendom van het geslacht van Guygoven. In 1588 kwam het in bezit van de familie de Méan.
Laatstgenoemde liet in de eerste helft van de 17e eeuw aan de Bolderstraat een monumentale kasteelhoeve in Maasstijl optrekken.
De schepenbank van Bolder ressorteerde onder het oppergerecht van Vliermaal, het belangrijkste beroeshof in het land van Loon. Het laathof van Arenberg, eveneens op het grondgebied van Bolder gelegen, volgde echter de Luikse rechtspraak en had de schepenbank van Luik als beroepshof. Bolder beschikte over kerk noch kapel. Voor het bijwonen van de erediensten en het ontvangen van de sacramenten waren de inwoners van Bolder dan ook aangewezen op de kerk van Zichen. In de Sint-Severinuskapel van het naburige Meer liggen diverse leden van de familie de Méan begraven.

Zichen-Zussen-Bolder
Bij de administratieve herindeling van ons land door het Frans bewind in 1796 fusioneerden Meer en Val tot de gemeente Val-Meer terwijl Bolder aan de oudere tweeling Zichen-Zussen werd toegevoegd. Deze drie-eenheid is op demografisch vlak uitgegroeid tot de dichts bevolkte deelgemeente van Riemst. Op 01.01.2002 woonden er in Zichen-Zussen-Bolder 2943 inwoners of 415 inwoners per vierkante kilometer.

Mergelgrotten en kampernoeliekwekerijen
Diverse oude boerderijen, zoniet geheel dan toch gedeeltelijk in mergelzandsteen opgetrokken, benadrukken het landelijk karakter en het agrarisch verleden van dit dorp dat, zoals de naam het sugereert, oorspronkelijk uit drie afzonderlijke woonkernen bestond. Door de geleidelijke uitbreiding van de bewoning zijn deze kernen tot één urbanistisch geheel vergroeid. Zussen breidde vooral naar het oosten toe uit, Zichen ontwikkelde zich periferisch langs de verharde dorpsstraten en Bolder groeide aan via bestaande wegen en nieuwe woonstraten. Langs de in 1833 aangelegde Visésteenweg (N671) verdichtte gaandeweg de lintbebouwing: particuliere woningen wisselen af met winkels, handels- en horecazakzen, banken en bedrijven. Om het echte Zichen-Zussen-Bolder te ontdekken moet je echter deze transitweg verlaten en de “centra” van de traditionele nederzettingen opzoeken.
ZichenZussen-Bolder genoot in de eerste helft van de 20ste eeuw vooral bekendheid omwille van zijn kampernoeliekwekerijen in het ondergronds labyrint van de oude mergelgrotten. Na de tragische instorting van de Roosburgheuvel in 1958 – bij het Roosburgdrama werden 18 arbeiders levend begraven – schakelde men geleidelijk over op kampernoelieteelt in bovengrondse loodsen, maar speelde men het monopolie kwijt. Omstreeks het midden van de tachtiger jaren werd de Dienst van het Mijnwezen belast met het karteren van de ondergrondse galerijen om zodoende de holten in die gebieden waar mensen onmiddellijk bedreigd zijn (woonzones en straten) op te vullen of te verstevigen.
Dit is inmiddels gebeurd. Bij het uitvoeren van de ruilverkaveling reserveerde men een gebied van ca. 12 ha, gelegen ten oosten van de ondermijnde dorpskom van Zussen, voor latere woonuitbreiding. Tussen de Kwartelstraat, de Emalerweg en Kaldersteeg is de ondergrond immers niet uitgehold en het gevaar voor instortingen nihil. Bij het krieken van het derde millenium rijst daar een nieuwe woonwijk- zowel sociale huisvesting als private woningbouw – uit de grond.

Naar boven
Heukelom

Een historisch- geografisch portret

Een vroege kolonisatie
In Vroenhoven vond men twee sites met artifacten van bandkeramiekers, nl. in Heukelom en in de buurt van de watertoren. De bandceramische culturen situeren zich in de prehistorie, meer bepaald in de Late Steentijd (ca. 5000 tot ca. 3000 voor Christus).
Het zijn de eerste sedentaire landbouwers in onze gewesten na de laatste ijsstijd. Typisch voor hun cultuur zijn de handgevormde, half bolvormige potten met spiraalvormige of hoekige banden.
Ook de Gallo-Romeinse kolonisatie- overigens geenszins verwonderlijk aangezien het grondgebied zowel door de heerbaan Tongeren-Maatricht als de heerbaan naar Nijmegen doorkruist werd- liet meerdere sporen na, nl. een genivelleerde tumulus, restanten van een villa en een muntvondst.

Vroenhoven + Montenaken = Vroenhoven
Tot aan het eind van het Ancien Régime was “Vroenhof” de benaming van een graafschap wiens middeleeuwse geschiedenis zeer nauw met deze van het naburige Maastricht verbonden was. Hoe en wanneer dit graafschap ontstond, is niet precies geweten.
Algemeen wordt aangenomen dat het een kroondomein of koningsgoed was dat als een soort rijksheerlijkheid rechtstreeks onder de bevoegdheid van de Duitse keizer ressorteerde. Het graafschap Vroenhof omvatte Heukelom, Montenaken, de heerlijkheid Lenculen (gelegen binnen de wallen van Maastricht) en het dorp Wylre. In 1206 schonk de Duitse keizer Hendrik II dit graafschap samen met de stad Maastricht aan de hertog van Brabant. Het was een complete schenking aangezien het zowel de grondheerlijke als de hoogheerlijke (= de jurisdictie) rechten betrof. De schepenbank van Vroenhof, zetelend bij de oude Lenculenpoort te Maastricht, oordeelde dan ook volgens het Brabants wetboek en fungeerde tevens als beroepshof voor de lokale schepenbanken in de zgn. “redemptiedorpen. Dit waren acht soortgelijke Brabantse enclaves (o.a. Nerem, Rutten, Veulen, Hoepertingen, Mopertingen) in het land van Loon die hun vrijheid door het betalen van een vaste jaarljkse rente afkochten of redimeerden.
Tegen de vonnissen van de schepenbank van Vroenhof kon enkel beroep aangetekend worden bij de hoogste keizerlijke hoven van Aken en Wetzlar. Na de verovering van Maastricht in 1632 kwamen de soevereiniteitsrechten van het graafschap Vroenhof in bezit van de Staten-Generaal van de Verenigde Provinciën. Op kerkelijk vlak viel de kapel van Montenaken onder de bevoegdheid van de Sint-Pieter- en –Paulusparochie van Wylre, waar de landcommandeur van Alden Biesen het patronaatsrecht bezat.
Heukelom daarentegen had geen eigen gebedshuis en was kerkelijk geïntegreerd in de parochie Herderen-Riemst.
Toen Limburg in 1839 in een Belgische en een Nederlandse provincie opgedeeld werd, werd ook het oude graafschap Vroenhof in tweeën gehakt. Montenaken en Heukelom noemden voortaan Vroenhoven. Aan de overkant van de landsgrens lag Oud-Vroenhoven (Wylre en Wolder), dat in 1919 administratief aan Maastricht werd toegevoegd.

Aan het Albertkanaal situeerden de bandkeramische nederzettingen zich bij voorkeur op de hogere reliëfs en was de Gallo-Romeinse bewoning vooral in de buurt van de meer noordelijk gelegen heerbanen geconcentreerd, dan ontstonden Montenaken en Heukelom als permanente nederzettingen van Frankische en Merovingische veetelers omstreeks de 6e-7e eeuw na christus.Tot een heel eind in de 20ste eeuw bleven het bescheiden landbouwdorpjes van het straatdorptype.
Dit gold a fortiori voor het meer geïsoleerde Heukelom waar nagenoeg alle oude boerderijen en zelfs een aantal huizen zo niet geheel dan toch gedeeltelijk in streekeigen mergelzandsteen zijn uitgevoerd.
Al neemt de woonfunctie ook hier langzamerhand en vooral aan de randen (cfr. De Kemstraat) uitbreiding, toch wist het bochtige Heukelomdorp zijn agrarische identiteit vrij gaaf te bewaren.
Na de aanleg van de woonwijk Krinkelsgracht zijn de dorpskom van Riemst en het Vroenhovense gehucht Heukelom nagenoeg tot één morfologische woonentiteit versmolten.
De Pastoor Counestraat was de centrale as van het grensdorp Montenaken. Enkele vierkanthoeven getuigen hiervan. De recente urbanistische ontwikkeling gebeurde logischerwijze in de richting van de N79 en dit onder de gedaante van een nog steeds aanzwellende lintbebouwing. Langs deze steenweg vindt je een aantal typische activiteiten die intrinsiek met het fenomeen “landsgrens” verweven zijn of waren. Aan het specifieke sociale verleden van zulke grensdorpen word je te Vroenhoven, op de hoek van de Lafelterweg en de Krijtstraat, symbolisch herinnerd door het standbeeld “ De Smokkeleire van Montenaoke” (1992). Het oostelijk deel van Vroenhoven wordt landschappelijk volledig beheerst door het Albertkanaal dat ussen 1930 en 1939 enkele tientallen meters diep in het krijtsubstraat uitgegraven werd.

Demografie
De splitsing van het graafschap Vroenhof in een Belgisch en een Nederlands deel verklaart de forse terugval van het inwonertal in 1839. Waar het inwonertal van de meeste Riemsterse deeldorpen na 1961 nog amper steeg en in enkele gevallen zelfs een lichte terugloop kende, noteerde men in het grensdorp Vroenhoven en in het centrumdorp Riemst een gevoelige aangroei.
Dit is, althans voor wat Vroenhoven betreft, vooral te wijten aan een niet geringe inwijking van Nederlanders. Op 01.01.2002 telde Vroenhoven 1636 inwoners, nl. 350 te Heukelom en 1286 in Montenaken, wat met een dichtheid van 220 inwoners per vierkante kilometer overeenkomt.

Naar boven
Lafelt

Een historisch-geografisch portret

Een prehistorische site
Op archeologisch vlak is Vlijtingen ongetwijfeld één van de meest boeiende deelgemeenten van Riemst. Vlakbij ligt immers Kesselt waar in de vallei van het Hezerwater meervoudige sporen van Neandertalers uit het Midden-Paleoliticum aangetroffen werden.
In het plaatselijk heemkundig museum zijn niet alleen vondsten uit de Gallo-Romeinse tijd tentoongesteld maar ook artefacten uit de Steen- en IJzertijd. Vooral hoog gelegen plaatsen zoals de Keiberg en de Lippenberg, alsook de omgeving van de GalloRomeinse heerbaan.
Tongeren-Maastricht, waarvan het tracé nog gedeeltelijk bewaard is, profileren zich als rijke archeologische vindplaatsen. Het feit dat er ook sporen uit de Merovingische tijd aangetroffen werden, bevestigt dat Vlijtingen terugblikt op een nagenoeg continue bewoning sinds het begin van de landname (d.i.ca. 5000 jaar geleden) na de Weichseltijd.

Onder de vleugels van Maastricht
Tijdens de Middeleeuwen en het Ancien Régime behoorde Vlijtingen, zowel op burgerlijk als op kerkelijk
vlak,tot het invloedrijke domein van het Maastrichtse Sint-Servaaskapittel. Hierdoor kende het ten overstaan van de overige deelgemeenten van Riemst een aparte historische ontwikkeling. Net zoals ondermeer Zepperen, Mechelen-aan de-Maas , Grootloon, Koninksem, Sluizen en het naburige Hees was Vlijtingen één van de elf zgn. “banken” van dit Sint-Servaaskapittel. Deze dorpen werden als dusdanig voor het eerst officieel vermeld in 1139 toen Paus Innocentius II de schenking (11e eeuw) van deze dorpen door de Duitse keizer Hendrik IV aan de Sint-Servaaskerk van Maastricht bekrachtigde. Al deze dorpen stonden als vrije rijksheerlijkheden rechtstreeks onder het gezag van de Duitse Keizer en werden in de persoon van een kannunik-rijproost door het Sint-Servaaskapittel bestuurd. Voor wat Belgisch-Limburg betrof, waren het dus “enclaves” buiten de invloedssfeer van de graven van Loon, na 1366 de prins-bisschoppen van Luik.
Meermaals doch zonder resultaat hebben laatstgenoemden getracht deze enclaves aan hun gezag te onderwerpen.
Te Vlijtingen zetelden twee rechtbanken, nl. de lokale schepenbank en de “hoofdbank van Vlijtingen”. De hoofdbank behandelde, als centraal beroepshof voor burgerlijke zaken, de betwistingen omtrent de vonnissen en de uitspraken van de elf plaatselijke schepenbanken. Ze bestond uit afgezanten van de elf dorpen en vergaderde onder voorzitterschap van de graaf van Vlijtingen. Het statuut van vrije rijksheerlijkheid impliceerde ook dat de lokale schepenbank bevoegd was voor criminele en lijfstraffelijke misdaden en in die hoedanigheid zelfs de doodstraf (het halsrecht) mocht uitspreken. Hiertegen konden de veroordeelden enkel beroep aantekenen bij de keizerlijke hoven van Soiers en Aken; na 1573 moesten ze zich hiervoor wenden tot de commissarissen-deciseurs van Maastricht.

Een dorpskom met erfgoed
Er is een duidelijk verband tussen het reliëf en de ligging van de dorpskom. Laatsgenoemde ontwikkelde zich immers in het droog dal van het Hezerwater, dat volgens een nagenoeg rechte lijn in noordoostelijke richting naar de Maas afwatert. De Meer, het oude dorpsplein met de openbare drinkpoel, ligt precies op de concave dalbodem. Hier stonden indertijd het kasteel Daelhof, eigendom van het Sint Servaeskapittel, en het Blockhuis waar de “hoofdbank van Vlijtingen” vergaderde en de rijproost verbleef. Dit erfgoed werd bij de slag van Lafelt vernield en verdween nadien uit het dorpsbeeld. De Mheerstraat behoort samen met Sint-Albanusstraat ( de vroegere Kerkstraat met zijn fraaie pastorie), de Smisstraat, de Jodenstraat, de Erhemstraat en de Ophemmerstraat tot de oudste straten van het dorp. Er waren eertijds tientallen boerderijen: het resterend patrimonium is geïdentificeerd door naam- en infobordjes die de Landelijke Gilde naar aanleiding van hun honderjarig bestaan in 1995 tegen de straatgevels aanbrachten. Mettertijd groeide Vlijtingen uit tot een komdorp met een min of meer orthogonaal netwerk van parallelle straten en onderlinge verbindingswegen. Als gevolg van een gestage woonuitbreiding - zowel door inbreiding als perifere nieuwbouw (Simenonlaan, Bijsstraat, Molenweg, Panisveld) – zijn in en rond de dorpskom weinig hoogstamboomgaarden bewaard gebleven. De agrarische bedrijvenheid migreerde naar de rand van de dorpskom waar je nieuwe en moderne landbouwbedrijven, tuinbouw, serreteelt en laagstammige fruitplantages aantreft. De onmiddellijke nabijheid van de afzetmarkt Maastricht stimuleerde de verruiming van de agrarische activiteiten naar tuinbouw en fruitteelt.

Ellicht en Lafelt
Evolueerde Vlijtingen naar een uitgesproken woonforenzengemeente, dan bleef Ellicht een bescheiden landbouwgehucht met amper twee boerderijen. De gerestaureerde windmolen Winning aan de Ellichtstraat 8 dateert van 1821. Anders is het gesteld met Lafelt, bekend omwille van zijn veldslag in 1747. In dit straatgehucht, dat een eigen kerkje heeft, zijn enkele monumentale hoevecomplexen, o.a. de gerestaureerde”Merenborch Hoeve”(Iers-Kruisstraat 94) uit 1863 en de vierkanthoeve ”Coenegrachts” aan de Iers-Kruisstraat 76 – 78, sfeerbepalend en indicatief voor het agrarisch verleden. Maar ook in Lafelt is het agrarisch duidelijk ondergeschikt geworden aan de woonfunctie. Nieuwbouw neemt stelselmatig uitbreiding , vooral aan de randen (richting N78) en langs de zuidelijke Omloopstraat.
Halverwege tussen Vlijtingen en Lafelt staat het Iers Kruis. Dit monument is niet alleen een ideaal aanknopingspunt voor de reconstructie van de “slag van Lafelt”, maar tegelijk een interessante panoramische uitkijkpost op de ruime omgeving. Ondanks alles blijven hoogwaardige teelten zoals tarwe en suikerbieten hier het uitzicht van het openfield-landschap mede bepalen.
Inzake ruilverkaveling had Vlijtingen (883 ha) een primeur: het was immers de eerste Vlaamse gemeente waar een globale, gemeentelijke ruilverkaveling (1957 -63) verwezenlijkt werd.
Maar ook deze medaille heeft een minder prettige keerzijde: de ruilverkaveling zou mede oorzaak zijn van de overstromingen en wateroverlast die de inwoners van Vlijtingen sedertdien herhaaldelijk te beurt viel… De dorpskom is immers ontkiemd en gegroeid in het valleitje van het Hezerwater.

Demografie
Sinds het begin van de 20ste eeuw is het inwonertal verdubbeld, zodat Vlijtingen na Zichen-Zussen-Bolder de meest bevolkte deelgemeente van Riemst is. Op 01.01.2002 woonden er in Vlijtingen 2477 mensen;; dit betekent een bevolkingsdichtheid van 281 inwoners per vierkante kilometer.
Het aandeel van Lafelt hierin bedroeg 456 personen.
Vlijtingen is een degelijk uitgeruste kern met heel wat winkels, diensten en voorzieningen.

Naar boven
Elst

Een historisch-geografisch portret

Een heerlijk verleden

Langs de Oude Steenstraat, eertijds behorend tot het tracé van de heerbaan Tongeren-Maastricht, werden in 1962 overblijfselen van drie Romeinse villa‘s uit de tweede eeuw na Christus opgegraven.
Andere materiële sporen van bewoning tijdens de Gallo-Romeinse periode zijn een tumulus en restanten van de centuratio, d.i. de typische land- en kadasterindeling uit die tijd. In de Middeleeuwen was ’Milina‘ een Loonse heerlijkheid, die voor het eerst officieel vermeld werd in 1143. De oudst gekende heer is Walterus de Milne, seneschalk van graaf Lodewijk II van Loon. Het leengoed werd achtereenvolgens bestuurd door de families de Melin, Proest (1369), van Guygoven (1456), van Berloz (1479), van Houthem (1531), de Fléron (1625) en d‘Hemricourt (1741). De opvolging kwam steeds door huwelijk, erfenis of schenking tot stand. Deze families woonden in de gotische waterburcht die in de 17de eeuw tot een residentieel kasteel in Maasstijl verbouwd werd. Ook de ’Motte‘ aan de Peperstraat was gedurende meer dan drie eeuwen eigendom van de ’heren van Millen en Cauwenberg‘. In Millen lagen nog twee andere Loonse heerlijkheden, nl. het adellijk huis Van den Bosch en het slot van Eggertingen. Het laatstgenoemde was achtereenvolgens eigendom van de geslachten van Gelinden van Eggertingen (1367), van Betho (1437) en van Mettekoven (1456-eind 18de eeuw). Met uitzondering van het Cauwenberghof en de buurt rond de ’heerlijke‘ waterburcht waar het Loons recht gesproken werd, was in Millen het Luiks strafrecht van toepassing. Onder het Frans bewind was Millen, van 1796 tot 1802, kantonhoofdplaats voor 19 omliggende dorpen. Het ’Luikse‘ tolhuis aan de Oude Steenstraat dateert van 1781-83. Volgens een oorkonde van 959-971 werden de kerkelijke rechten van de Sint-Stefanusparochie en haar dochterkapellen te Val en Meer reeds aan het eind van het eerste millennium aan het Sint-Martinuskapittel van Luik geschonken. Deze schenking, die zowel het benoemingsrecht van de pastoor als het inningsrecht van de tienden omvatte, bleef tot aan het eind van het Ancien Régime van kracht.

Een typische nederzetting op het krijtplateau
Het golvend Haspengouwse leem- en krijtplateau daalt op het grondgebied van de taalgrensgemeente Millen geleidelijk van ca. +150 m in het zuidwesten tot ca. +100 m in het noordoosten. De langgerekte depressies in het reliëf komen overeen met droge dalen, die gedurende de laatste ijstijd door het oppervlakkig afstromend regenwater in de lemige dekmantel uitgeschuurd werden. Wegens de permanent bevroren ondergrond kon het water toen immers niet in de bodem dringen. De geografische site van Millen noemt men een ’dalhoofdsite‘, waarbij de oude waterburcht en de motheuvel precies in de as van een droog valleitje liggen. Aan de top van de noordelijke dalhelling ligt het oude landbouwgehucht ‘Dries‘, terwijl de eigenlijke dorpskom zich op de zuidelijke dalhoofdhelling ontwikkelde. Beide zijn verbonden door de Papesteeg, een typische ‘kerkwegel‘. Het centraal, vierzijdig pleintje van het gehucht Dries was begrensd door de Millerdries, de Van den Boschstraat en de Peperstraat. Het plein zelf, dat o.m. als verzamelplaats voor de veestapel fungeerde, werd in de loop van de 19de eeuw verkaveld. In de beschermde dorpskom (K.B. van 14.10.1980) is de oude kernbewoning in achtvorm rond de Sint-Stefanuskerk geconcentreerd. Typisch in dit verband is het cirkelvormig patroon van de Tikkelsteeg en de Kromstraat. Je vindt er grote vierkanthoeven naast kleinere boerderijen en gewone dorpswoningen en verder ook het oud-gemeentehuis, de fraaie pastorie en de dorpsschool.
De geografische en landschappelijke evolutie van Millen gedurende de twee jongste eeuwen is overzichtelijk in beeld gebracht aan de hand van vier vergelijkbare kaarten.

Al is Millen kriskras dooraderd met diverse oude en ook recentere verkeerswegen – de Romeinse heerbaan tussen Tongeren en Maastricht, de N79 (Tongeren-Maastricht; 1804) en de E313 (Antwerpen-Luik;; ca. 1960) – toch wist het zich als één der meest representatieve kerndorpen op het krijtplateau van Millen-Riemst te handhaven: een druk bebouwde en verbouwde dorpskern met tientallen vierkanthoeven, veilig geborgen in een groen omhulsel van weilanden met boomgaarden en neergelegd te midden van een herverkaveld en open akkerlandschap. Millen is Droog-Haspengouw ten voeten uit. Je kan er naar hartelust van genieten tijdens de geotoeristische dorpswandeling.

Naar boven
Publicaties
Melding
Riemster links
Bereikbaarheid

tel. +32 12 44 03 00
fax +32 12 44 03 09

Maastrichterstwg. 2b
3770 Riemst

gemeentebestuur
@riemst.be


openingstijden