Print-vriendelijke versieStuur naar een vriendPDF versie

Kanne

Een historisch-geografisch portret

Opkanne en Neerkanne

In de Gallo-Romeinse tijd (1ste-4de eeuw) werd op het Haspengouws krijtplateau tussen Tongeren en Maastricht intensief aan landbouw en vooral graanteelt gedaan. In elke deelgemeente van Riemst vond men aanwijzingen van woonactiviteiten gedurende deze periode. Te Kanne waren dit o.m. een begraafplaats, een legerkamp bij de Sint-Pietersberg en een tumulus aan de grens met Eben-Emael. Ook staat het vast dat er reeds in die tijd in de steile hellingen van het Jekerdal mergelzandsteen werd ontgonnen voor de bouw van woningen en openbare gebouwen in de steden en villa‘s van hereboeren langs de heerbanen op het platteland. De eerste officiële vermelding van “Cannes” dateert van 1096. Toen reeds was het grondgebied in twee delen gsplitst. Opkanne behoorde tot het prinsbisschoppelijk domein van Luik en werd al in 965 aan het Luikse Sint-Martinuskapittel toevertrouwd. Tot aan het eind van het Ancien Régime behield dit kapittel onafgebroken de heerlijke rechten van Opkanne en was het tevens in bezit van de tiend- en patronaatsrechten van de Sint-Hubertusparochie aldaar.
Neerkanne was een allodium (= vrij erfgoed) van het allodiaal hof van Luik. Het was achtereenvolgens eigendom van de families van Liers (1351), Chabot (1454), de Villers (1477), Pité (1496), Van der straten (1575), de Pallant
(1607), de Wansoulle (1663), de Dopff (1697), de Coenen ( 1761) en de Thier (1792). Al deze families verbleven op het kasteel van Neerkanne dat onder Daniël Wolff de Dopff omstreeks 1700 zijn huidig uitzicht verwierf.
Zowel Opkanne als Neerkanne hadden een lokale schepenbank die het Luiks recht volgde en bevoegd was voor de lagere, middelbare en hogere jurisdictie; het schepenhof van Luik fungeerde als beroepshof. Reeds vroeg waren beide heerlijkheden tot één morfologisch en urbanistisch geheel vergroeid. Bij elke aanval op Maastricht (16 – 18de eeuw) hadden de inwoners van Kanne af te rekenen met inkwartieringen, opeisingen en plunderingen van vreemde soldaten.
Van 1794 tot 1843 waren Opkanne en Neerkanne twee afzonderlijke gemeenten. Bij de scheiding van Belgisch- en Nederlands-Limburg in 1843 versmolten ze tot één Belgische gemeente (362 ha) met uitzondering van een stukje Neerkanne dat aan het Nederlandse Wolder werd toegevoegd.Ook het kasteel van de heren van Neerkanne staat sedertdien op Nederlandse bodem en geniet bij onze noorderburen de reputatie ‘s lands enig terrassenkasteel te zijn. Op 01.01.2002 woonden er in Kanne 1203 mensen;; dit komt overeen met een gemiddelde bevolkingsdichtheid van 332 inwoners per vierkante kilometer.

Het witte dorp aan de Jeker

Zijn de overige deelgemeenten van Riemst komdorpen op het Haspengouws krijtplateau, dan heeft Kanne een uitgesproken valleisite. Het ligt immers aan de benedenloop van de Jeker die enkele kilometers stroomafwaarts van de dorpskom in de Maas uitmondt. Het Jekerdal is ca. 40 tot 50 meter in het krijtsubstraat ingesneden. Plaatselijk zijn de valleihellingen dan ook zeer steil.
Bijzonder fraai in dit verband is de “Slingerberg” in de Zusserdel waar de weg zich doorheen een droog dalletje naar boven kronkelt. Het smalle interfluvium tussen het Maas- en het Jekerdal noemt de Sint-Pietersberg. Het landschappelijk meest aantrekkelijke deel van deze heuvelkam situeert zich precies op het grondgebied van Kanne en noemt het “plateau van Caestert”.
Het microklimaat en de kalkrijke bodem bezorgen dit plekje een voor Vlaanderen unieke kalkflora.
Zowel vanuit Wallonië als Nederland legt de cementindustrie echter een zware hypotheek op de toekomst van dit natuurgebied.
Blijft Kanne vooralsnog gespaard van grootschalige krijt- en mergelgroeven, toch werd deze grondstof er eertijds op een meer beperkte schaal en met een geringer landschappelijk impact ontgonnen. Vanaf de 14e eeuw immers werd de noordwestelijke dalflank van de Jekervallei stelselmatig uitgehold en ontstond er een ondergronds labyrint van gangen.
Deze artisanale exploitatie van mergelzandsteen als constructiemateriaal voor gotische, renaissancistische en barokke gebouwen bereikte een climax in de 16e-18e eeuw.
Nadien ebde de belangstelling voor deze zachte en gemakkelijke verweerbare natuursteen geleidelijk weg. Omwille van de constante temperatuur en luchtvochtigheid zijn zulke grotten uitermate geschikt voor de teelt van kampernoelies. Hiervoor werden ze dan ook na de Tweede Wereldoorlog maximaal benut. De Avergat-grotten zijn in groepsverband te bezoeken.
Kanne wordt in toeristische brochures ook wel eens het “witte dorp” genoemd. Alle oude woningen en boerderijen zijn opgetrokken in plaatselijk ontgonnen mergelzandsteen;;; anderen zijn met kalkcement bestreken en wit geschilderd.
De achterin liggende boerderij Cilissen, de U-vormige hoeve Vrijens en L-vormig huis Colijn uit 1651 zijn beschermde gebouwen in streekeigen mergelzandsteen. Er zijn er echter nog veel meer.

Tussen Nederland en Wallonië

Kanne is een uitgesproken grensdorp. De zuidelijke buurgemeente Eben-Emael – thans een deelgemeente van Bassenge – ligt in Wallonië en aan de voet van het kasteel van Neerkanne steek je haast onopgemerkt de landsgrens met Nederland over. In Neerkanne word je op een bijzonder heldere wijze geconfronteerd met het uiteenlopend beleid van beide landen inzake landindeling en ruimtelijke ordening;;;; een hoekige verbindingslijn tussen de ijzeren grenspalen vormt als het ware de linaire scheiding tussen de kernbewoning van het Belgische
Kanne met zijn gekanaliseerde Jeker enerzijds en het open, onbewoonde valleilandschap met groenen weilanden en een meanderende Jeker op Nederlands grondgebied anderzijds. Vanaf de binnenkoer van het kasteel van Neerkanne kan je dit landschappelijk grensfenomeen voortreffelijk gadesklaan.
Aan de Belgische voet van dit kasteel staan overigens nog enkele andere fraaie, historische gebouwen uit de 17e eeuw zoals een korenwatermolen, de H.-Grafkapel en het klooster van de kanunniken van Hoogcruts-Noorbeek.
Verderop in de dorpskom staat de Sint-Hubertuskerk, een moderne zaalkerk (1938) met een Maasgotische toren (15e – 16e eeuw). Aan de kruising van de Bakkerstraat met de Jeker liggen een aantal reusachtige rotsblokken. Deze “zwerfstenen” zijn afkomstig uit de Ardennen;;;;; ze werden tijdens de ijstijden door de Maas op ijsschotsen aangevoerd en in de zgn. Maasterrassen afgezet.

Toeristische troeven

Kanne is ook het dorp waar het Albertkanaal de alluviale vlakte van de Maas verlaat en via een kunstmatig gegraven “kloofdal” doorheen de Sint-Pietersberg eerst het dal van de Jeker dwarst en vervolgens het Haspengouws krijtplateau binnendringt. Onlangs werd naast het kanaal een jachthaven aangelegd. Binnenkort wordt de boogbrug door een hangbrug vervangen.
Jeker en kanaal kruisen elkaar door middel van een tien meter diepe duiker.
Het Albertkanaal (1930 – 39) hoort dan ook wederkerig bij het panoramisch zicht op Kanne, veruit de meest toeristische deelgemeente van Riemst. Je merkt het meteen aan de horeca-bedrijvigheid, de wandelaars, de terrasjes… Bij een bezoek aan Kanne, de parel van de Jekervallei, mag je tenslotte niet nalaten “D‘n Observant” te beklimmen. Deze stortheuvel boven op de Sint-Pietersberg ligt evenwel op Nederlands grondgebied, maar eenmaal boven heb je een uniek grensoverschrijdend zicht op het Albertkanaal, Kanne en de Jekervallei, Maastricht en zijn cementindustrie, de Voerstreek, het land van Herve en het zacht golvend plateau van Droog-Haspengouw…een geotoeristische observatie om van te snoepen.