Oorlog en schuilen in de ondergrondse groeven
Sinds de middeleeuwen werd in onze regio op grote schaal mergel ontgonnen. Deze steen was bijzonder geschikt als bouwmateriaal voor huizen, hoeves en kerken, maar werd ook gebruikt voor kalkproductie in de landbouw. Door deze ontginning ontstond een uitgebreid netwerk van ondergrondse gangen en groeven, dat zich doorheen de eeuwen steeds verder uitbreidde.
De vrijgekomen ruimte in de groeven werd tijdens de turbulente oorlogsperioden ook in gebruik genomen. Verschillende bronnen, onder andere uit de 18de eeuw, vermelden dat de inwoners ten tijde van oorlogen in ‘de berg’ schuilden. Ze namen voedsel en vee mee de groeve in en woonden soms dagen, wekenlang in het donker samen.
Sporen van deze verblijven zijn nog steeds herkenbaar in de groeven, zoals drink- en eetbakken voor vee, haardvuren voor de inwoners, nisjes voor kaarsen en inscripties. Naast de grote groeven in Kanne zijn er ook kleine groeven, in de volksmond ‘kuilen’ genoemd, in de dorpen. Dit zijn kleinere groeven die vaak voor een hoeve werden gebruikt om kalksteen voor die gebouwen te winnen. In die zin heeft elke hoeve zijn eigen groeve, die ‘kuil’ wordt genoemd. Deze ‘kuilen’ werden door de inwoners ook als schuiloord gebruikt. De Archeologiedagen vinden plaats in een van deze kuilen.
Tenslotte zijn er ook aachten, dit zijn in leem of aarde gegraven gangen waarin men schuilde ten tijde van dreiging. Dergelijke aachten worden vaak vertrekkend vanuit de kelder aangetroffen, en archeologen treffen ze al aan vanaf de middeleeuwen.
